De koster uit Pistoia

Klein, lieflijk Pistoia. Het Boskoop van Italië; omringd door boomkwekerijen waar ze gespecialiseerd zijn in buxusboompjes en minipalmen. Ik kwam er altijd op vrijdag, als het einde van de reis al langzaam in zicht kwam en er hierna alleen nog een hele dag in Siena op het programma stond. Pistoia, en in de middag Vinci, was een rustdag. En wát voor rustdag. Een stad met een klein oud centrum, bijna geen groepen toeristen, en als ze er al waren, waren ze ook weer zo verdwenen. Sinds de Villa Medici in Poggio a Caiano uit het programma werd geschrapt, was er tijd te over in Pistoia, en dat betekende, zeker bij goed weer: struinen door de straatjes, een terrasje pikken (eentje met uitzicht op de Dom, of de San Giovanni?), fruit inslaan op de markt en een bezoek brengen aan het Marino Marini-museum met de theetuin.  

Kruip door sluip door

Via de smalle steegjes loop je eerst naar de Sant’Andrea, een kleine Romaanse kerk met een eenvoudige façade, maar met een prachtig gebeeldhouwd kansel van Giovanni Pisano in de zijbeuk. Daarna loop je richting het kruispunt, en sla je af nar de Via del Carmine, om uiteindelijk uit te komen op het Piazza del Papa Giovanni XXIII, waar het oude ziekenhuis van Pistoia staat. Getooid met een kleurrijk en meterslang terracotta fries, onmiddellijk herkenbaar als een werk van de Florentijnse Della Robbia-familie. Het zijn de werken van barmhartigheid, en ze zien eruit alsof ze gisteren zijn geplaatst. Nog even fel en schitterend als vijf eeuwen geleden. En dan is het niet ver meer; twee keer de hoek omslaan en je staat op het Domplein, tussen de Dom en het Baptisterium in.  

En die Dom, die vergeet ik nooit meer. Vooruit, niet vanwege de Dom zelf, maar vanwege de koster die er werkte. En die ik na mijn eerste jaar als reisleider, nooit meer ben tegengekomen.
Want hoe zit het? In die Dom bezochten we altijd het zilveren Sint Jacobsaltaar; een meer dan levensgroot altaar van hout gemaakt, maar helemaal bedekt met zilveren bekleding en versierd met zilveren reliëfs en sculpturen. Er werkten tientallen kunstenaars aan, in een periode van meer dan twee eeuwen. Allemaal ter nagedachtenis aan het feit dat Pistoia in de middeleeuwen een reliek van de heilige Jacobus in handen kreeg, en een officiële etappe werd op de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela.  

Achter slot en grendel

Dit altaar zit enigszins verstopt in een kapel in de rechterzijbeuk, en is altijd op slot. Tegenwoordig koop je een kaartje bij de ticketoffice in het Baptisterium, maar jaren geleden moest je in de Dom op zoek naar de man met de sleutel. En dat was Marcello. Een oude, lange, magere man. Weinig haar, ingevallen wangen, oude spijkerbroek en een vale trui. Vaak vond ik hem bij de sacristie, vlak naast het hoofdaltaar. Soms moest ik even bellen, met een ouderwetse bel aan een lang koord. En dan kwam hij tevoorschijn, met de grote sleutel al in de hand. Liep mee naar het grote hek voor de kapel, waar mijn groep dan altijd even was blijven wachten. Als we allemaal in de kapel stonden, ging het hek weer dicht én op slot. Links in de kapel stond een oude houten secretaire, waar een geldkistje, rekenmachine en vergeelde ansichtkaarten in lagen. Met de rekenmachine rekende Marcello dan uit hoeveel ik hem verschuldigd was (1,25 per gast, maar hij rondde nog wel eens af naar beneden). En daarna kregen wij alle tijd in die afgesloten kapel, om al die prachtige zilveren figuurtjes, al die Bijbelse scènes en heiligenlevens, van dichtbij te bewonderen. Marcello had alle tijd, en keek altijd stilletjes toe.  

Een bijzonder mens

In het jaar dat ik begon met reisleideren trof ik Marcello drie keer in het voorjaar. In de zomermaanden lagen de cultuurreizen even stil, dus ik kwam pas in september opnieuw naar Pistoia, als onderdeel van opnieuw de Toscane-reis. In de Dom trof ik als vanouds Marcello, die mij onmiddellijk een teken gaf dat hij iets belangrijks wilde meedelen. Terwijl mijn gasten om het zilveren altaar heen stonden, kwam ik bij hem staan naast de houten secretaire. Hij trok, onder een stapel verfrommelde Italiaanse informatieboekjes, een dichtgeplakte envelop tevoorschijn. “Hier”, zei hij, “dit ben je de vorige keer vergeten. Je had teveel betaald”. Ik voelde papier in de envelop, en muntgeld. “Ik heb het sinds mei voor je bewaard. Ik wist dat je nog wel een keer terug zou komen”. Ik was even stil. Suggereerde hij nu dat ik bij het vorige bezoek teveel entree had betaald? Maar dat kon helemaal niet: er was geen enkele reis geweest dit voorjaar waarbij ik geld tekort kwam. Dus waar had hij het over? Maar hij was onvermurwbaar, was er vast van overtuigd dat de inhoud van zijn volle geldkistje uit mijn portemonnee kwam. En had de envelop sinds mei bewaard in de oude secretaire. Het maakte niet uit wat ik zei (“Ik heb het niet nodig”, “ik mis het echt niet”, “gebruik het maar voor de kerk”), hij wilde het niet houden. “Het is van jou, het behoort mij niet toe”.  

Daar stond ik dan, met een envelop waar, zo bleek later, ongeveer vijfendertig euro in zat. Ik zou je niet meer kunnen zeggen wat ik er destijds mee gedaan heb. Maar het gebeuren maakte veel indruk op mij. Marcello’s serieuze hoofd, met dat magere gezicht. En de rotsvaste overtuiging dat het míjn geld was. En dat ik het ook écht moest meenemen. Ik heb hem de jaren daarna nooit meer gezien. Maar ik zal hem nooit vergeten.

Photo credits © Discover Pistoia
2020-05-22T17:47:12+02:00 4 april, 2018|Kerken en kapellen, Reistips, Sweet Memories|

Geef een reactie